zoeken  
    HERAANLEG KRUISPUNT DRIEKONINGEN * PowerPoint-voorstelling lezing 'PUBERTOCHT' * EXAMENROOSTERS JUNI

De Smet, Bernardus (superior 1814-1815)

De Smet, Bernardus (superior 1814-1815)

Bernardus De Smet werd geboren te Waarschoot (Oostmoer) op 12 februari 1774 als derde kind van Carolus De Smet (° Waarschoot, 28 juni 1736) en Livina Isabella Dhooghe .

Zijn oudste broer Guilielmus (Willem) (1770-1849) werd priester en bracht het uiteindelijk tot vicaris-generaal van het bisdom Gent. Twee zusters van Bernard De Smet werden begijn in het Sint-Elisabethbegijnhof te Gent [2].

De jonge Bernard ging samen met zijn broer Willem naar de lagere school van zijn geboortedorp Waarschoot en volgde middelbaar onderwijs aan het college van de paters augustijnen in Gent [3], dat reeds in 1609 was gesticht [4]. Het feit dat vader De Smet zijn zoon middelbaar onderwijs kon laten volgen aan dit Gentse college, wijst erop dat hij toch tot de eerder gegoede inwoners van Waarschoot behoorde. Het onderwijsprogramma van de colleges uit de 17de en de 18de eeuw was in eerste instantie gericht op de lectuur van klassieke auteurs en op de godsdienstige vorming van de leerlingen [5]. In de poësis (5de Latijnse) zou Bernard De Smet er een zekere pater Verhegghen als klasleraar gehad hebben. Verhegghen was zelf geen onverdienstelijk dichter en bracht zijn gevoel voor kunst in het algemeen en voor poëzie in het bijzonder over op zijn geïnteresseerde leerling [6]. Het diepchristelijk geloof, dat hij van thuis had meegekregen, en de godsdienstige vorming bij de augustijnen hebben er ongetwijfeld toe geleid dat ook Bernard De Smet koos voor het priesterschap.

De snelle wisseling van politieke regimes tussen 1789 en 1815 en vooral het groeiend antiklerikalisme van de overheid hebben het karakter van de jonge De Smet gevormd en zijn verdere carrière bepaald. Toen in 1789 de Zuidelijke Nederlanden in opstand kwamen tegen het Oostenrijkse gezag (de Brabantse Revolutie) werd midden november 1789 ook Gent ingenomen door de patriotten of "Belgische" revolutionairen. Gewapend met een stok waarop een bajo- net was bevestigd, trokken De Smet en enkele andere leerlingen de wacht op bij het augustijnenklooster om de vlucht te beletten van de Oostenrijkse kolonel Lunden, die met ongeveer 200 soldaten in het klooster was opgesloten [7].

Nadat in 1791 het Oostenrijkse regime was hersteld werden de Oostenrijkse Nederlanden in 1792 veroverd en bezet door de Franse revolutionaire legers. Na een kortstondig herstel van het Oostenrijkse bestuur in 1793 werden de Oostenrijkse Nederlanden in 1794 voor de tweede keer door Franse troepen bezet en op 1 oktober 1795 bij Frankrijk aangehecht.

Na zijn studies bij de augustijnen zou Bernard De Smet naar de universiteit van Leuven zijn gegaan, die echter op 17 oktober 1797 door de Franse overheid werd opgeheven [8]. Hoewel hij zijn studies wijsbegeerte niet had beëindigd, trad De Smet daarna in het seminarie te Gent in [9], dat echter op zijn beurt op 25 november 1797 werd opgeheven [10]. Daarop ging De Smet terug naar huis, waar hij zich onledig hield met schrijnwerkerij en lectuur [11].

Onder het Franse regime werd de scheiding van Kerk en staat doorgevoerd met de ontmanteling van de traditionele voorrechten van de Kerk van het Ancien Regime. Bovendien verloor de Kerk grotendeels haar bezit, werd zij door allerlei maatregelen onder de controle van de staat gesteld, en werden zowat alle kerkelijke instellingen opgeheven. De priesters werden verplicht o.a. de eed van trouw aan de Franse grondwet af te leggen. Priesters die de eed weigerden af te leggen, werden gedeporteerd of moesten onderduiken.

Na het concordaat van 15 juli 1801 tussen paus Pius VII en de Franse consul Napoleon Bonaparte werden de betrekkingen tussen staat en Kerk enigszins genormaliseerd. Zo bepaalde artikel 11 van het concordaat dat ieder bisdom opnieuw een seminarie voor de priesteropleiding mocht hebben. In hetzelfde jaar was J. Van Hemme, de vroegere subregent van het seminarie, begonnen theologieonderwijs te geven in de gebouwen van het vroegere Rijke Gasthuis in Gent. De nieuwe bisschop E. Fallot de Beaumont erkende bij zijn aanstelling in 1802 het seminarie van Van Hemme als bisschoppelijk seminarie [12]. Om in de rekrutering van kandidaat-seminaristen te voorzien wilde de bisschop ook kleinseminaries oprichten waar humanioraonderwijs zou worden gegeven, in eerste instantie in Gent. De wet van 2 mei 1802 op het openbaar onderwijs liet immers aan gemeenten en privé-personen toe, mits toelating van de regering en onder toezicht van de prefect van het departement, om een middelbare school te openen. Het initiatief van de bisschop kon bovendien op de steun rekenen van de Gentenaar Charles van Hulthem, lid van het Tribunat (Kamer van Volksvertegenwoordigers), vertegenwoordiger van de Université Impériale te Brussel en bekend bibliofiel.

Omdat de vroegere kerkelijke bezittingen waren geconfisqueerd, was men verplicht het Gentse kleinseminarie onder te brengen in de gebouwen van het grootseminarie in Gent. Het college werd onder het bestuur van de president van het grootseminarie geplaatst. Drie leraars verzorgden er het onderwijs aan de zes klassen. Seminarist Bernard De Smet werd in 1802 [13] benoemd tot leraar van de poësis (5e Latijnse) en van de retorica (6e Latijnse) [14] en zou dit blijven tot de sluiting van het Gentse kleinseminarie op 7 december 1811 [15]. Over de datum van zijn priesterwijding vindt men tegenstrijdige gegevens: volgens sommigen zou hij gewijd zijn op 18 juni 1803 [16], volgens anderen pas op 23 december 1815 in Doornik [17].

Ondanks het concordaat en de wet van 2 mei 1802 trachtte de Franse overheid op alle mogelijke manieren de Kerk te onderwerpen aan controle door de staat. Zo had de oprichting van een Université Impériale op 10 mei 1806 duidelijk de bedoeling het onderwijs, georganiseerd door de Kerk, te incorporeren in het staatsonderwijs, namelijk de lycea. Hoewel de seminaries bleven afhangen van de bisschop bevestigde de wet van 17 maart 1808 het monopolie van de Université Impériale in de organisatie van het openbaar onderwijs. Omdat de kleinseminaries niet wensten aan te sluiten bij de Université Impériale moesten zij voor 1 juli 1812 hun deuren sluiten. Het college van Gent, waar Bernard De Smet sedert 1802 les gaf, sloot op 7 december 1811 [18], het kleinseminarie van Roeselare op 29 juni 1812 [19] en het kleinseminarie van Sint-Niklaas waarschijnlijk ook kort voor 1 juli 1812 [20].

Misschien heeft Bernard De Smet zich daarna enige tijd schuil gehouden in Izegem, waar zijn broer Willem sedert 15 juni 1813 pastoor was [21]. Misschien onder invloed van zijn broer, die superior van het kleinseminarie van Sint-Niklaas was geweest, vond Bernard De Smet dan onderdak in Haasdonk bij Jan Benedict Hemelaer, eigenaar van een lakenweverij en notoir katholiek. Na de sluiting van het kleinseminarie van Sint-Niklaas had Hemelaer de hoogste klassen ervan in het geheim laten onderbrengen in het ouderlijk huis in Haasdonk, waar zij nu lessen Grieks en Latijn kregen van Bemard De Smet, de broer van hun vroegere superior [22]. Via brieven [23] steunde De Smet ook zijn oud-leerlingen die als seminarist in juli 1813 in opstand waren gekomen tegen mgr. de la Brue, de nieuwe, door Napoleon benoemde bisschop van Gent, en die in augustus 1813 werden gedeporteerd naar de West-Duitse stad Wezel [24]. Op 12 maart 1814 bevond De Smet zich blijkbaar nog steeds in Haasdonk [25].

[26]; op 7 maart 1814 volgde de algemene heropening [27]. Kort nadien werden ook de lessen hervat aan de kleinseminaries: op 26 april in Gent, op 10 mei in Sint-Niklaas en op 14 juni in Roeselare [28].

Op 10 mei 1814 werd Bernard De Smet benoemd tot superior van het kleinseminarie van Sint-Niklaas [29]. Zijn verblijf in Sint-Niklaas was echter van korte duur. Op 29 juli 1815 werd Pieter Willems benoemd tot superior van het kleinseminarie van Sint-Niklaas [30] in opvolging van Bernard De Smet, die superior werd van het Sint-Barbaracollege van Gent [31].

Ten gevolge van de Franse revolutie vormden zich onder de geestelijkheid van het bisdom Gent, zoals trouwens ook elders, twee strekkingen. Onder invloed van de Franse denker de Lamennais waren de liberaal-katholieken voorstander van de erkenning van de liberale vrijheden, o.a. de ver doorgedreven scheiding van Kerk en staat. De Kerk kon van deze grondwettelijke vrijheid gebruik maken om haar eigen structuren, haar onderwijs, enz. te reorganiseren en te versterken. De liberaal-katholieken wendden zich af van het traditionele conservatisme en waren voorstander van een grotere democratisering en een meer volksgericht kerkelijk beleid. Hun tegenstanders, de ultramontanen, stonden eerder afwijzend tegenover de liberale vrijheden, vooral dan tegenover de scheiding van Kerk en staat. Hoewel zij een zekere samenwerking tussen Kerk en staat niet afwezen, wilden zij de autonomie van de Kerk tegenover de staat behouden en legden zij sterk de nadruk op het kerkelijk gezag. Het waren vooral de meest talentvolle jongeren, collegeleraars in de regel, die voor de ideeën van Lamennais open stonden. Een bijzondere plaats onder hen nam de oudere Bernard De Smet in, superior van het kleinseminarie in Gent [32].

Het Congres van Wenen van 1814 besliste tot de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden als buffer tegen Frankrijk. De nieuwe staat werd gevormd door het Koninkrijk der Nederlanden, opgericht in 1813 onder leiding van koning Willem I, en de vroegere Oostenrijkse Nederlanden.

De vorming van een Groot-Nederlandse natie was één van de belangrijkste doelstellingen van de koning [33]. De koning wilde o.a. gebruik maken van de structuren van de kerk met het oog op de uitbouw van deze eenheidsstaat en de controle van de samenleving. Het overheidsmonopolie op het onderwijs was daarom onmisbaar. De invloed van de school op de opvoeding van het kind was zo groot, dat de staat de controle hierover niet uit handen kon geven. Leraars vervulden dus een functie in dienst van de staat. De koning trachtte door een hele reeks maatregelen de katholieke kerk en haar sociaal-cultureel milieu, speciaal de onderwijssector, onder controle te krijgen. Taal, onderwijs, opvoeding, kerk en godsdienst waren immers belangrijke natievormende factoren.

In 1816 begon de koning met de oprichting van athenea of rijkscolleges. Om de monopoliepositie van deze athenea te verzekeren moest de concurrentie van de katholieke colleges worden uitgeschakeld. De oprichting van een atheneum in Gent leidde tot de sluiting van het kleinseminarie Sint-Barbara als college op 18 september 1818 [34]. Van 1822 tot 1825 deed het nog dienst als succursaal van het grootseminarie voor de filosofiestudenten [35]. Na de sluiting van het college werd Bernard De Smet op 9 november 1818 benoemd tot professor Heilige Schrift aan het grootseminarie in Gent [36], waar hij gedurende drie jaar les gaf [37].

Het koninklijk besluit van 14 juni 1825 bepaalde dat alle Latijnse scholen, colleges of athenea, de uitdrukkelijke toestemming van de regering nodig hadden, dat de scholen onder het toezicht van de regering stonden, dat alle niet-geautoriseerde scholen eind september 1825 moesten gesloten worden, dat alleen burgerlijke instellingen konden worden erkend en dat aan bisschoppelijke seminaries geen onderwijs mocht worden gegeven zoals in de athenea en de erkende colleges [38]. Bovendien richtte de overheid ter vervanging van de kleinseminaries een Filosofisch College op, een instelling onder staatscontrole die het filosofisch gedeelte van de priesteropleiding zou verzorgen. Daarmee was de breuk tussen de koning en de Kerk totaal. Het conflict evolueerde tot een echte schooloorlog.

Waarschijnlijk verleende De Smet occasioneel zijn medewerking aan het dagblad Le Courrier de la Flandre, de eerste katholieke opiniekrant die verscheen vanaf oktober 1823 en zich onmiddellijk aandiende als oppositiekrant tegen het regeringsbeleid [39]. Met enkele oud-leerlingen en collega's behoorde hij tot de eerste medewerkers van de in 1826 opgerichte krant Le Catholique des Pays-Bas, die het katholiek onderwijs verdedigde op basis van de grondwettelijke vrijheid van godsdienst [40]. Deze krant werd in 1828 één van de steunpilaren van de Union des oppositions, het monsterverbond tussen de liberalen en katholieken tegen het regime van koning Willem I, dat uiteindelijk zou leiden tot de Belgische revolutie van september 1830 [41].

Hoewel in 1827 een concordaat tussen Willem I en de Kerk werd gesloten, bleef de politieke spanning aanhouden. Theodoor Hemelaer, de deken van Sint- Niklaas, nodigde Bernard De Smet uit om op 24 september 1827, ter gelegenheid van de stichting van het jongensweeshuis, een preek te houden [42]. In zijn preek had De Smet het o.a. over de handboeken die door sommige leraars werden gebruikt [43]. De reactie van de overheid liet niet lang op zich wachten. In december 1827 liet gouverneur Van Doorn van Westcapelle een onderzoek openen tegen Bernard De Smet die de schoolpolitiek van de regering zou bekritiseerd hebben. In feite had hij niets anders dan het onderwijsmonopolie van de staat afgewezen en dus het gekende katholieke standpunt herhaald. Reeds op 16 november 1827 had De Smet een open brief gepubliceerd waarin hij zich verweerde tegen de beschuldigingen van de overheid [44]. Op 28 februari 1828 werd De Smet door de rechtbank van eerste aanleg veroordeeld tot drie maanden gevangenis. De veroordeling had een grote weerklank wegens het groot prestige van De Smet en wegens het feit dat de rechtbank aldus het onderwijsmonopolie van de staat bekrachtigde. Het vonnis gaf zelfs aanleiding tot de publicatie van een verweerschrift ten voordele van De Smet [45]. Op 17 april 1828 werd De Smet evenwel vrijgesproken door het hof van beroep [46]. Het nieuws van de vrijspraak, dat door een reisduif naar Sint-Niklaas werd gebracht, gaf daar aanleiding tot een feestelijk klokkengelui [47].

De groeiende politieke oppositie leidde vanaf eind 1829 tot een versoepeling van het regime. Een aantal koninklijke besluiten tussen oktober 1829 en mei 1830 liet opnieuw privé-instellingen toe [48]. In de loop van januari 1830 heropenden de kleinseminaries van Gent, Roeselare en Sint-Niklaas hun deuren [49].

Na de heropening van de kleinseminaries bleef Bernard De Smet superior van het kleinseminarie Sint- Barbara, waar in 1832 met een humaniora-afdeling werd gestart [50]. Intussen was hij op 8 april 1830 ook erekanunnik van het Sint-Baafskapittel van Gent geworden [51].

Ook tijdens en na de Belgische revolutie bleef Bernard De Smet een belangrijke rol spelen in de vorming van de katholieke opinie. Het Sint-Barbarakleinseminarie werd dé ontmoetingsplaats van al wie progressief dacht in de clerus. De professoren van het kleinseminarie oefenden grote invloed uit op de katholieke opiniekrant Journal de Flandres, de voortzetting sinds 4 oktober 1830 van Le Catholique des Pays-Bas. Enkele oud-leerlingen en collega's van De Smet werden zelfs lid van het Nationaal Congres, de eerste, grondwetgevende, verkozen vergadering van de jonge Belgische staat, en verdedigden er de katholiek-liberale standpunten [52].

De pauselijke encycliek Mirari Vos (15 augustus 1832) veroordeelde echter uitdrukkelijk het liberaal- katholicisme en leidde op korte termijn tot een sterke ultramontaanse invloed in het bisdom Gent. Om het conflict tussen de twee strekkingen op te heffen besloot bisschop Van de Velde in juli 1833 het Sint-Barbaracollege aan de jezuiëten aan te bieden. Het vroegere lerarenkorps werd naar de zielzorg "versast" [53]. Ter compensatie was Bemard De Smet reeds op 26 maart 1833 benoemd tot titulair kanunnik van het Sint-Baafskapittel in Gent, waar hij ook de functie van penitencier waarnam [54]. Op dezelfde dag werd hij ook benoemd tot directeur van de zusters Franciscanessen (Crombeen-instituut) in Gent, waar hij trouwens in 1832 -toen hij nog superior was - bijgevoegd bestuurder was geworden [55]. Bovendien werd hij in 1833 ook co-visitator van de exempte kloosters [56]. Onder zijn bestuur kende het Crombeen-instituut een grote groei. Een groot deel van de gebouwen werd vernieuwd en vergroot.

In zijn testament van 1 december 1840 duidde Benoit Gheersen, de laatste monnik van de afgeschafte Sint-Pietersabdij van Gent, Bernard De Smet aan als erfgenaam van al zijn roerende en onroerende goederen met de bedoeling dat het bezit later aan het bisdom Gent zou worden geschonken [57]. Gezien de omvang van de nalatenschap werd bij koninklijk besluit de periode waarbinnen de successieaangifte geregistreerd moest worden, verlengd van zes maanden tot een jaar. De totale nalatenschap bedroeg 794 470 fr. [58], waarin onroerende goederen begrepen waren te Lemberge [59], Bottelare, Merelbeke, Desselgem, Beveren, Waregem, Sint-Gillis-Waas, Kemzeke, Temse en Vrasene.

In januari 1841 kocht Bernard De Smet het huis naast het Crombeen-instituut aan met de bedoeling de school uit te breiden. De aankoopsom werd betaald met o.a. een deel van de erfenis van Benedictus Gheersen en met een gift van Bernard De Smet.

In 1837 was De Smet lid van het comité dat het officiële bezoek van koning Leopold I en de opening van de spoorweg in Gent wilde gedenken met een herinneringsmedaille. Het Gentse stadsbestuur, dat vooral uit orangisten >[60] bestond, had dit initiatief immers van de hand gewezen [61].

Bernard De Smet overleed te Gent op 28 april 1842. Zijn broer Willem De Smet, die met hem in het Crombeen-instituut woonde, volgde hem op als bestuurder van de zusters Franciscanessen te Gent.

Na het overlijden van Willem De Smet op 26 februari 1849 werd op maandag 7 mei en dinsdag 8 mei 1849 de privé-bibliotheek van beide broers De Smet openbaar verkocht. De veilingcataloog vermeldt 713 nummers die in totaal ongeveer 750 boeken omvatten, een voor die tijd toch wel indrukwekkende verzameling [62]. De bibliotheek omvatte zowat alle standaardwerken van die tijd en werd ingedeeld in 9 rubrieken: Ecriture Sainte et Interprétes (nrs. 1-46), Saints Pères (nrs. 47-62), Sermons, Catéchismes, Instructions (nrs. 62-175), Théologie (nrs. 176-281), Ius Canonicum- Rubricae-Breviaria etc. (nrs. 282-341), Histoire ecclésiastique et profane, et Biographies (nrs. 342-43 l), Géographie et Topographie (nrs. 432-452), Ascétiques etc. (nrs. 453-509), Littérature, Philosophie, Sciences, journaux (nrs. 510-713). De persoonlijke papieren van Bernard De Smet zijn waarschijnlijk verloren gegaan [63].

Bernard De Smet verwierf in zijn tijd ook enige bekendheid wegens zijn literaire kwaliteiten. De Latijnse brieven aan zijn oud-studenten te Wezel zijn geschreven in een sterk retorische stijl [64]. Een anonieme lofzang ter ere van de teruggekeerde seminaristen is waarschijnlijk van zijn hand [65]. Het werk werd later in het Nederlands vertaald [66]. Hij vertaalde ook een ascetisch werkje over de eredienst van het Heilig Hart en één van de mystieke werken van de Heilige Theresia van Avilla. Tenslotte schreef hij gelegenheidsgedichten, zoals bij de opening van het kleinseminarie Sint- Barbara en bij het vertrek van de fransgezinde bisschop Fallot de Beaumont, en ook een kerstlied [67].

Er zijn twee portretten van Bernard De Smet bewaard. Het eerste wordt bewaard bij de zusters Franciscanessen van het Crombeen-instituut in Gent [68]. Het schilderij werd gemaakt door de Gentse schilder Constant De Surgeloose [69] in 1843 en kan geïdentificeerd worden aan de hand van een eigentijds opschrift in de linkerbovenhoek: R. [ ] D. Bernardus De Smet ex Waer- schoot natus pridie idus Feb. anno 1774 canon. titularis eccles. Cathedralis S. Bavonis Dir. Sanc. Vincen. u Paulo conventus dicti Crombeen. Obiit Gandae 28 aprilis 1842 [70]. Het tweede portret wordt bewaard in het Sint-Jozef-Kleinseminarie. Het werd door G. Faelens verkeerdelijk geïdentificeerd als een portret van Willem De Smet [71], een identificatie die in latere werken werd overgenomen [72]. De schilder van dit tweede portret blijft voorlopig onbekend.

Eric Balthau


[1] Carolus de Smet, zoon van Arnoldus, en Livina Isabella Dhooghe, dochter van Guilielmus, huwden in Waarschoot op 6 februari 1770. Zij hadden tien kinderen: Guilielmus (° 5 december 1770), Petrus Johannes (° 29 juni 1772), Bernardus (° 12 februari 1774), Joanna Carola (° 29 december 1775), Maria Petronilla (° 15 december 1777), Joannes Baptista (° 19 april 1779), Maria Jacoba (° 11 februari 178l), Sophia (° 29 december 178l), Rosa (° 20 januari 1785) en Maria Theresia (° 17 februari 1788); met hartelijke dank aan dhr. Felix Waldack, Vlaamse Vereniging voor Familiekunde, die ons de genealogische gegevens over de familie De Smet bezorgde. Zie ook Beveren, Rijksarchief, registratiekantoor Zomergem, reeks 187-1820, successieaangifte van Carolus De Smet, 20 november 1819.

[2] J.-J. De Smet, Notice sur M. le chanoine B. De Smet, Bulletin de l'Académie royale de Belgique, 2de reeks, X, nr. 12; A. De Vos, Geschiedenis van Waarschoot. II. Waarschoot in hedendaagse tijden (1796-1989), Waarschoot, 1990, p. 294.

[3] F. De Potter, J. Broeckaert, Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen. Eerste reeks. Arrondissement Gent, deel 7, Gent, 1864-1870, Waarschoot, p. 104.

[4] Over het college van de Augustijnen te Gent, zie L. Verachten, Het Gentse klooster 1582-1796, in: Zeven eeuwen Augustijnen. Een kloostergemeenschap schrijft geschiedenis, Gent, 1997, p. 93-100. Helaas zijn er geen leerlingenlijsten van het college bewaard (p. 98).

[5] E. Put, Het onderwijs, in: Cloet M., Collin L., Boudens R. (reds.), Het bisdom Gent (1559-1991). Vier eeuwen geschiedenis, Gent, 199 1, p. 231-232.

[6] F. De Potter, J. Broeckaert, o.c. ,Waarschoot, p. 104.

[7] F. De Potter, J. Broeckaert, o.c. , Waarschoot, p. 105; L. Verachten, o.c. , p.100.

[8] L. Preneel, De Kerk in de revolutietijd, in: Bastille, Boerenkrijg en Tricolore. De Franse Revolutie in de Zuidelijke Nederlanden, Leuven, 1989, p. 156-157.

[9] F. De Potter, J. Broeckaert, o.c. , Waarschoot, p. 105.

[10] L. Preneel, o.c. , p. 158.

[11] J. J. De Smet, De Smet B., in: Biographie Nationale, V, Bruxelles, 1876, kolom 752; F. De Potter, J. Broeckaert, o.c. , Waarschoot, p. 105.

[12] L. Collin, Priesters en gelovigen, in: Cloet M. , Collin L. , Boudens R. (reds.), Het bisdom Gent (1559-199l). Vier eeuwen geschiedenis, Gent, 1991, p. 286.

[13] L. Schokkaert (ed.), Biografisch repertorium van de priesters van het bisdom Gent 1802-1997, Leuven, 1997, p. 186, nr. 1935.

[14] G. Faelens, Histoire du Petit Séminaire de Saint-Nicolas, Sint-Niklaas, 1908, p. 107; F. Claeys Bouuaert, Het bisdom en het seminarie van Gent gedurende de laatste jaren der Fransche overheersing (1811-1814), Gent/ Antwerpen, 1913, p. 116, noot 7. In 1806 richtte bisschop Fallot de Beaumont een tweede kleinseminarie in Roeselare op. Op 10 maart 1808 benoemde bisschop de Broglie Willem De Smet, de broer van Bernard, tot superior van het kleinseminarie van Sint-Niklaas, dat van start ging op 9 mei 1808.

[15] F. Claeys Bouuaert, o.c. , p. 117, noot 1.

[16] L. Schokkaert (ed.), o.c. , p. 186, nr. 1935.

[17] L. Schokkaert (ed.), o.c. , p. 186, nr. 1935; E. Soens, Historische schets van het Gesticht der E. E. Zusters Franciscanessen van Gent, geheeten Crombeen, bij het Tweehonderdjarig jubelfeest van zijn Bestaan, Sint-Amandsberg, 1915, p. 88.

[18] F. Claeys Bouuaert, o.c., p. 117-118; J. E. Nève, Gand sous la domination française 1792-1814, Gent, 1927, p. 201-202.

[19] L. Pillen, J. Pollet, 175 jaar Klein Seminarie te Roeselare, Roeselare, 1982.

[20] G. Faelens, o.c., p. 93. Volgens A. F. Verwilghen , Jan Benedict en Theodoor Verwilghen. Twee grote figuren uit het godsdienstig verleden van het land van Waas, Annalen van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, 76, 1973, p. 199, zou het kleinseminarie gesloten zijn op 1 oktober 1812 (evenwel zonder bronvermelding).

[21] E. Soenens, o.c. , p. 88.

[22] G. Faelens, o.c. , p. 108; A. F. Verwilghen, o.c. , p. 199; A. F. Verwilghen, Hemelaer, Jan Benedict, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, deel 7, Brussel, 1977, kolom 354.

[23] F. Claeys Bouuaert<, o.c. , p. 221 e.v., 243, 268, 322.

[24] L. Collin, o.c. , p. 287-289.

[25] F. Claeys Bouuaert, o.c., p. 322, noot 4.

[26] F. Claeys Bouuaert, o.c. , p. 322.

[27] G. Faelens, o.c. , p. 103.

[28] G. Faelens, o.c. , p. 104.

[29] L. Schokkaert (ed.), o.c. , p. 186, nr. 1935.

[30] L. Schokkaert (ed.), o.c. , p. 611, nr. 6497.

[31] Volgens sommigen zou Bernard De Smet pas in september 1815 superior van het Sint-Barbaracollege geworden zijn; zie G. Faelens, o.c. , p. 148; E. Soenens, o.c. , p. 88; L. Schokkaert (ed.), o.c. , p. 186, nr. 1935.

[32] E. Lamberts, Kerk en liberalisme in het bisdom Gent (1821-1857). Bijdrage tot de studie van het liberaal-katholicisme en het ultramontanisme, Universiteit van Leuven. Werken op het gebied van de geschiedenis en de filologie, 5e reeks, deel 8, Leuven, 1972, p. 23.

[33] J. P. De Valk, Landsvader en landspaus? Achtergronden van de visie op kerk en school bij koning Willem I (1815-1830), in: C. A. Tamse, E. Witte (eds.), Staats- en Natievorming in Willem I's Koninkrijk (1815-1830), Brussel, 1992, p. 76-97.

[34] G. Faelens, o.c. , p. 115-116. J. E. Nève de Mévergnies, Goud sous le régime hollandais 1814-1830, Gent, 1935, p. 149 geeft 26 september 1818 als datum van de sluiting. Zie ook A. Beddeleem, De clerus in het bisdom Gent en het verzet tegen de politiek van Willem 1 (1815-1830), onuitg. lic. verhandeling, Univ. Gent, 1997, p. 36; met dank aan de schrijver voor de toelating tot consultatie.

[35] E. Lamberts, o.c. , p. 52, noot 232.

[36] L. Schokkaert (ed.), o.c. , p. 186, nr. 1935.

[37] Volgens L. Schokkaert (ed.), o.c. , p. 186, nr. 1935 zou hij in 1819 benoemd zijn tot professor aan het kleinseminarie van Sint-Niklaas. Dit lijkt ons weinig waarschijnlijk. Hij komt trouwens niet voor in de lijst van onderwijzend personeel in de periode 1814-1825 bij G. Faelens, o.c. , p. 113-146.

[38] M. De Vroede, Onderwijs en opvoeding in de Zuidelijke Nederlanden 1815-ca. 1840, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, dl. 11, Bussum, 1983, p. 132.

[39] E. Lamberts, o.c. , p. 28-29.

[40] E. Lamberts, o.c. , p. 30.

[41] Th. Luykx, Politieke geschiedenis van België 1. Van 1789 tot 1944, Amsterdam/Brussel, 1977, p. 45, noot 22; A. Beddeleem, o.c. , p. 27.

[42] G. Faelens, o.c. , p. 148-150; A. F. Verwilghen, Jan Benedict en Theodoor Verwilghen. Twee grote figuren uit het godsdienstig verleden van het land van Waas, Annalen van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, 76, 1973, p. 206.

[43] De preek werd later uitgegeven: Bernard De Smet, Sermoen over de godsdienstige opvoeding der katholyke kinderen, gepredikt in de parochiale kerk van St.-Nicolaes, P.J. Van Rijckegem, Gent, 1827 (Universiteit Gent, Centrale Bibliotheek, A 211,02', G 4860, G 12684'). De preek werd ook vertaald in het Frans; zie F. Vander Haeghen, Bibliographie gantoise. Recherches sur la vie et les travaux des imprimeurs de Gand, deel V, Gent, 1865, p. 175, nr. 9458 en deel VI, supplement, Gent, 1867, p. 264, nr. 13973.

[44]> Zie ook Bernard De Smet, Brief aen den opsteller van het dagblad le Catholique des Pays-Bas ... 16 november 1827, P.J. Van Rijckegem, Gent, 1827 (Universiteit Gent, Centrale Bibliotheek, G 3 282"', G 12684, 190 M 253); vermeld bij F. Vander Haeghen, o.c. , deel V, p. 175, nr. 9459.

[45] Observations en cause de M. Bernard De Smet, supérieur du séminaire succursel de St.-Barbe, à Gand, prévenu de contravention de l'article 201 du Code pénal, P.J. Van Rijckegem, Gent, s.d. [1827], 12 p. (Universiteit Gent, Centrale Bibliotheek, G 22303"); zie F. Vander Haeghen, o.c. , deel VI, supplement, p. 265, nr. 13978 en A. Beddeleem, o.c. , p. 102-103.

[46]> E. Lamberts, o.c. , p. 3 8, verwijzend naar R. Hélias d'Huddeghem, De l'administration de la justice aux Pays-Bas, sous le rninistère de C. F. Van Maanen, avec une analyse des principaux procès criminels politiques et d'autres persécutions, depuis l’an 1815 jusqu'au 25 août 1830, Gent, 1830, p. 61-67; P. Claeys, Mémorial de la ville de Gand 1792-1830, Gent, 1902, p. 495; G. Vanden Gheyn, Le Diocèse de Gand et le premier Siècle de l'Indépendance Belge, Gent, 1932, p. 2 l; J. E. Nève de Mévergnies, Gand sous le régirne hollandais, Gent, 1935, p. 68.

[47] A. F. Verwilghen, o.c. , p. 206.

[48] M. De Vroede, o.c. , p. 132.

[49] G. Faelens, o.c. , p. 169.

[50] E. Lamberts, o.c. , p. 52, noten 232 en 233. In 1833 werd het Sint- Barbaracollege overgedragen aan de jezuïeten. Zie ook G. Vanden Gheyn, o.c. , p. 21 en M. D'hoker, Het middelbaar en technisch onderwijs, in: M. Cloet, L. Collin, R. Boudens (reds.), Het bisdom Gent (1559- 199l). Vier eeuwen geschiedenis, Gent, 1991, p. 565, noot 2.

[51] L. Schokkaert (ed.), o.c. , p. 186, nr. 1935.

[52] E. Lamberts, o.c. , p. 84-85. De Smet bleef ook later, tenminste tot 1838, artikels schrijven voor deze krant; zie E. Lamberts, o.c. , p. 200, noot 61.

[53] E. Lamberts, o.c. , p. 114-115.

[54] L. Schokkaert (ed.), o.c. , 1997, p. 186, nr. 1935. De penitencier was de kanunnik die als biechtvader bijzondere volmachten had gekregen van de penitentiarie, de rechtbank van de Romeinse curie voor gewetenskwesties.

[55] E. Soens, Historische schets van het Gesticht der E. E. Zusters Franciscanessen van Gent, geheeten Crombeen, bij het Tweehonderdjarig jubelfeest van zijn Bestaan, Sint-Amandsberg, 1915, p. 79; E. Lamberts, o.c. , p. 23, noot 102.

[56] L. Schokkaert (ed.), o.c. , 1997, p. 186, nr. 1935. Exempte kloosters zijn kloosters die niet onderworpen zijn aan de gewone rechtsmacht van de bisschop.

[57] L. Collin, De Sint-Pietersubdij van de opheffing tot het overlijden van de laatste monnik, in: G. Declercq (red.), Ganda & Blandinium. De Gentse abdijen van Sint-Pieters en Sint-Baafs, Gent, 1997, p. 99.

[58] Ter vergelijking: in 1846 verdiende een arbeider gemiddeld 1,49 fr. per dag, een arbeidster 0,71 fr. per dag; rond 1850 koste een tarwebrood ongeveer 0,35 fr. , een kilo aardappelen 0,06

[59] F. De Potter, J. Broeckaert, Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen. Eerste reeks. Arrondissement Gent, deel 4, Gent, 1864-1870, Lemberge, p. 4: ... Na de afschaffing der St.-Pietersabdij, die te gelijk de verbeurdverklaring harer goederen medebracht, werd het hof t' Idegem door de St.-Pietersheeren ingekocht, die er nog eenen geruimen tijd van in bezit bleven, en het eindelijk overlieten aan de eerw. heer kanunnik Bernaard de Smet. De heer J.-B. van der Schueren werd er eigenaar van in 1847…

[60] De orangisten waren tegenstanders van de Belgische afscheiding, en dus voorstanders van de dynastie van Oranje-Nassau. Het orangisme bleef een belangrijke strekking in de Belgische publieke opinie tot de erkenning van België door Nederland in 1839.

[61] J. E. Nève de Mévergnies, Gand sous le régime hollandais 1814-1830, Gent, 1935, p. 204.

[62] De openbare verkoop had plaats in Gent, Sint-Pietersnieuwstraat 31, onder leiding van Ferdinand Verhulst. Zie Catalogue d'une très belle collection de livres provenants de la bibliothèque de MM. Guillaume De Smet, doyen du Chapitre de St. -Bavon et Vicaire-Général du Diocèse de Gand, et Bernard De Smet, Chanoine Titulaire de St.-Bavon etc., Verhulst, Gent, s.d. [1849] (Universiteit Gent, Centrale Bibliotheek, G 10630" en een dubbel G 10630"; het eerste exemplaar bevat ook de prijzen van de boeken).

[63] E. Lamberts o.c. , p. 23, noot 102.

[64] F. Claeys Bouuaert, o.c. , p. 221 e.v., 243, 268, 322. Zijn brieven werden ook opgenomen in een werk, De jonge Levieten, dat vermeld wordt door F. De Potter, J. Broeckaert, o.c. , Waarschoot, p. 106-107.

[65] Alumnis seminaria gandavensis in patriam reversis. Flandria congratulatur. Carmen 24 pp. in-8'; zie F. Claeys Bouuaert, o.c. , p. 192, noot 3.

[66] B. De Smet, Lofdicht, A. L. Ruckaert-Van Beesen, Sint-Niklaas, 1823 (Universiteit Gent, Centrale Bibliotheek, A 8770).

[67] Fragmenten uit deze gedichten werden gepubliceerd door J.-J. De Smet, Notice sur M. le chanoine B. De Smet, Bulletin de l'Académie royale de Belgique, 2de reeks, X, nr. 12.

[68] E. Lamberts o.c. , p. 23, noot 102.

[69] Zie Gent, Stadsarchief, Nota's kunstenaars, KL 1-8. De Surgeloose overleed waarschijnlijk in 1882.

[70] E. Soens, o.c. , p. 85. Met hartelijke dank aan Zeereerwaarde Zuster Maria Van De Putte, provinciaal overste.

[71] G.Faelens, o.c. , p. 122bis. De schrijver heeft de portretten van Willem De Smet en van Bernard De Smet verwisseld doordat er geen identificaties werden aangebracht op de schilderijen.

[72] A. De Vos, o.c. , p. 233; A. Demey, D. De Smet, K.Goethals, W. Nys, De Sint-Antoniuskerk te Sint-Niklaas. Drie eeuwen sobere barok, Gent, 1996, p. 18.

Kleuterschool
Lagere school
Internaat

 

Vandaag

 
Info 'Wat na eerste Latijnse?' in AvW en Calfac
 
Schoolrestaurant
Menu secundair - uitleg
College Info
IC Hou
SJKS-Knack

 

Creatief-actief


Toneel 
Indigo 
Skairo 
In Dulci Jubilo
 
 

Ligging

Hoe bereik je ons?